MTBBelg >>> MTBRoutes.be MTB Reisverhalen Rode Lintjes
MTB Reisverhalen
 MTB Reisverhalen - Transalp St. Anton-Poschiavo, 16 –20 augustus 2002 door Emile Schrijver
Algemeen  
Transalp alternatief  
België  
Engeland  
Frankrijk  
Duitsland  
Oostenrijk  
Italië  
Transalp  
 
Disclaimer  
Al de verslagen die op deze website staan, zijn eigendom van hun respectievelijke schrijvers. Dus niets mag gekopieerd worden zonder hun toestemming.


   Inleiding

Na drie weken eerder al met mijn Oostenrijkse zwager kennis gemaakt te hebben met de grillen van een alpen-overtocht met de mountainbike toog ik dit keer met mijn twee Nederlandse vrienden Albert en Patrick richting Oostenrijk, om daar een althans volgens de beschrijving rustigere overtocht te gaan ondernemen via Zwitserland en Italië weer terug naar Zwitserland. Deze tocht is nummer twaalf in het onvolprezen boek ‘Traumtouren Transalp; die schönsten Alpenüberquerungen mit dem Mountainbike’ van Uli Stanciu, de organisator van de Adidas Transalp Challenge. Een gedetailleerd roadbook is op te halen op

http://www.bike-magazin.de/reise/transalpspecial0501/roadbook0501.pdf

   Afreis

Na een spannende week waarin we de fietsen alle drie nog eens voor een service-beurt wegbrachten, waarin Albert zelfs besloot om zonder proberen deze tocht op een geleende, mogelijk door hem te kopen Trek fully te gaan rijden (carbon, bijna helemaal XTR, vederlicht) en waarin ik de IRC Mythos noppenband van 2.1 inch die ik voorop had staan nog snel even verwisselde voor een wel heel vette, bijna nieuwe Michelin Wildgripper Hot S, konden we op vrijdagochtend 16 augustus in alle vroegte toch echt weg; de weersverwachting voor de eerste dagen was goed, en de wegen waren volgens mijn informanten prima berijdbaar, ondanks alle overstromingen.

De eerste etappe, van St. Anton am Arlberg naar de Heidelberger Hütte in Zwitserland, heb ik de vorige keer met ruim 1900 deels zeer steile hoogtemeters als de allerzwaarste ervaren, dus toen Albert nog in Nederland voorstelde om die etappe wat in te korten door de eerste negen kilometer al op de dag van aankomst te rijden en te overnachten in de Konstanzer Hütte moest ik eerst even wat trots wegslikken, maar realiseerde ik me al snel dat dit een gouden vondst was, die ook het aantal hoogtemeters met zo’n 250 zou doen teruglopen. Ik had mijn beide reisgenoten nog lekker gemaakt met de mededeling dat dit ook nog vrij rustige kilometers waren, maar mijn herinnering bleek niet helemaal juist, want na ruim 900 kilometer in de auto bleken een paar van de stijgingen toch wel behoorlijk pijn te doen aan onze best wel redelijk getrainde, maar toch niet meer zo piepjonge lijven.

’s Avonds alle drie Spätzle (of Knöpfle, om het dialect te gebruiken) en een ruim dessert gegeten, en vandaar het Matratzenlager in, 15 matrassen in een ruimte, met de zweetvoeten en snurkpartijen die daar bijhoren. Albert zou op grond van zijn ervaringen die nacht de rest van de reis blijven uitkijken naar oordopjes, want hij heeft door een snurkende bejaarde direct naast hem (gelukkig lag hij niet naast mij anders was ik die snurkende bejaarde geweest) bijna geen oog dichtgedaan. ‘Das Leben ist hart in den Bergen’!

   Dag 1 (zaterdag 17 augustus 2002)

De volgende dag de ruim 1700 hoogtemeters ondernomen via de Heilbronner Hütte op 2320 meter hoogte, naar de Heidelberger Hütte op 2264 meter. Het laatste halfuur naar de Heilbronner Hütte hebben we niet meer kunnen fietsen, en met onze fietsen op de rug gelopen (Albert had bij het dragen en duwen wel erg veel ruzie met zijn full suspension; het is een Y-frame en het ontbreken van een stang die op de rugzak kan leunen maakte het slepen niet zo eenvoudig).

Het mooie weer en de razendsnelle afdaling maakten echter veel goed. Dit was Patrick’s eerste afdaling in de ‘Schotter’, het grind en de steenslag dat op zoveel alpenwegen te vinden is, en hij werd de eerste honderden meters meteen al getrakteerd op dalingspercentages van tegen de twintig procent; voorzichtigheid geboden dus, maar hij weerde zich dapper en was er al snel aan gewend. Na de afdaling naar Ischgl, deels over asfalt met ruim 65 km/u als hoogste snelheid op de tellers, en op weg naar de Heidelberger Hütte komt meteen na Ischgl een extreem steil stuk van anderhalve kilometer op het asfalt waar Patrick en ik uiteindelijk besloten af te stappen, en Albert dapper doorploegde en naar boven gefietst is. Hoewel Patrick en ik ons uiterste best gedaan hebben om Albert duidelijk te maken dat dat alleen maar lag aan het feit dat hij maar liefst twee versnellingen lichter kon rijden achter (zijn kleinste blad van 34 t.o.v. onze 30), ben ik bang dat de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij, zeker vergeleken met mij, ook wel erg makkelijk naar boven rijdt. Ere wie ere toekomt.

Daarna duurt het lang voor men boven is, en daarmee de grens tussen Oostenrijk en Zwitserland over, en heb ik er menig muesli-reepje en smerig energiegel-letje tegenaan moeten gooien om het moede lichaam naar boven te pompen. Maar het ging en we zouden uiteindelijk na een echte maaltijd onze welverdiende rust genieten in een kamer die we eerst voor onszelf hadden, maar later op de avond toch nog met een vermoeid bergbeklimmend echtpaar moesten delen. Om 10 uur ‘Hüttenruhe’, en meteen slapen want de volgende dag weer vroeg op pad. De bovenbeenspieren en het zitvlak meldden zich!

   Dag 2 (zondag 18 augustus 2002)

Om half acht ’s morgens sprongen we in een nog koude morgen (onder de tien graden) op de fiets om er na 200 meter weer af te springen en de 300+ hoogtemeters naar de Fimberpass op 2608 meter te voet af te leggen. Geen kans om naar boven te rijden. Maar het was het waard: prachtige uitzichten, onder andere op de Fluchthorn . Het hoogste punt van de reis, en het begin van een zeer spannende afdaling die bekend staat als een van de beste single trail afdalingen van de Alpen. Prachtig, maar... een maatje te groot voor drie mannen die beneden de zeespiegel wonen. Albert en ik zijn zelfs te voet beiden een keer vol op de platte bek gegaan (hetgeen natuurlijk wel tot heldhaftige wonden leidt waarmee men thuis kan laten zien hoe spannend het allemaal was), bij Albert lag dat aan zijn fietsschoenen die niet helemaal geschikt bleken voor het hooggebergte en niet aan zijn hoogtevrees, mijn wel geschikte schoenen hadden natuurlijk wel spd-plaatjes, en die blijken ook glad. Nadat ik op de eerste twee dagen al had moeten wennen aan het feit dat ik ondanks mijn ruimere alpenbike-ervaring, en dankzij mijn overgewicht, altijd als laatste de steile beklimmingen afsloot, was het goed te zien dat mijn alpiene loopervaring, onder andere opgedaan in een hoge trekking in Nepal waar mijn twee reisgenoten maar niet genoeg van kregen, me bij deze en andere afdalingen wel van pas kwam, en ik in ieder geval naar beneden ook mijn overgewicht ten positieve wist in te zetten. Een prachtige omgeving overigens, en ook te voet eenvoudigweg overweldigend.

Daarna een lang stuk eerst richting, daarna langs een rivier, ook niet overal berijdbaar –waar Albert langzaam genoeg kreeg van het loopwerk en de single trails, omdat hij weer een keer vol op zijn gezicht ging, gelukkig geen ongelukken, maar wel een hoop gescheld – waarna we via een weiland eerst nog verkeerd reden, maar uiteindelijk tussen Zuort en Sinestra onze welverdiende rust vonden in een koffiehuis, waar we Nusstorte gegeten hebben, en we niet voor het laatst zouden stil staan bij de kwaliteit van de vrouwelijke bediening. Daarna na een korte singletrail een flinke afdaling over de weg, veel snelheid, richting Sent, waar we te ver zouden doorrijden (mea culpa), maar als resultaat wel een supermarkt in een mooi dorpje vonden waar we in de tuin van het lokale postkantoor konden lunchen. Albert bleek een blind vertrouwen te hebben in de bevolking van Engadin, want toen hij zijn portemonnee zocht, waarin zich ook de gezamenlijk boodschappenpot bevond, bleek hij die buiten te hebben laten liggen, direct bij de fietsen en voor iedere kwaadwillende Zwitser mee te nemen. Het is altijd goed te zien dat mijn vrienden net zo verstrooid zijn als ik.

Daarna via Scuol, waar ik de achterkabel van mijn derailleur snel nog even heb laten rechtzetten, de lange, qua landschap onvergetelijke, maar over het algemeen niet al te steile beklimming ingezet naar het idyllisch mooie op 1810 meter gelegen S-Charl, ik weet nog steeds niet hoe je dat uitspreekt, waar we een pension gereserveerd hadden met een heerlijke maaltijd en een kamer helemaal voor onszelf. Albert en Patrick mochten samen in het tweepersoonsbed, ze zijn zwagers en snurken bovendien niet, ik ging op een slaapbank, maar wist toen ik dat toezegde nog niet dat ze in Zwitserland voor slaapbanken hele bijzonder dekbedden hebben: 1,50 meter in het vierkant, zie daar maar eens warm onder te blijven liggen. Goed geslapen, het aantal hoogtemeters viel ook mee, rond de duizend, en een kilometertje of veertig op de teller, maar door al het loopwerk waren we wel pas aan het eind van de middag ter plaatse en toch ook niet meer zo fris als ’s ochtends.

   Dag 3 (maandag 19 augustus 2002)

De volgende dag zou de mooiste worden. Weer in de ochtendkou vertrokken, op weg naar de Pass da Costainas op 2251 meter. Deze pas, die de laatste paar honderd meter via een weide bereikt wordt, is volledig op de fiets te bedwingen, en dat is boven de tweeduizend meter toch eerder uitzondering dan regel. Op weg naar deze pas rijd je door een adembenemend berglandschap, met weidse vergezichten en dikke drieduizenders rondom. Naar beneden besloten Albert en Patrick af en toe even af te stappen, ik ben wat wilder ingesteld en besloot daarom de Schotter op de fiets te bevechten. Op zeker moment kon ik links (waar een afgrond van een meter of vijftien was) of rechts (waar de berg was) naar beneden, het midden was bezaaid met diep grind, ik besloot rechts te gaan, zag toen op het laatste moment dat ik dan tien meter verder niet meer verder zou kunnen, ging dus toch links, maar te laat, door het grind, en direct onderuit. Ik kon met mijn linkerknie nog net remmen, maar hing met mijn gezicht al boven de afgrond, eerst tot grote schrik, later tot vermaak van Albert en Patrick die dit veel voorzichtiger rijdend enkele tientallen meters voor zich zagen gebeuren. Gelukkig goed afgelopen, en de schaafwond voor thuis nog wat gedramatiseerd, zullen we maar zeggen.

Daarna een flinke afdaling naar zo’n 1500 meter over Schotter en asfalt, en vandaar via de Lai da Rims op 2234 meter naar Alp Mora op 2105 meter en over Schotter weer naar beneden op naar de Pass Val Mora op 1934 meter, waar ook de Italiaanse grens is. Toen de paar Italianen die we op de grens tegenkwamen merkten dat we buitenlanders waren, kwam direct een Italiaanse driekleur tevoorschijn en werd het volkslied ingezet; hadden we in Zwitserland nog niet meegemaakt, zal ik maar zeggen. De weg voerde ons nog een aantal kilometers door dit hoge gebied met niet al te veel stijging, tot ons einddoel, de Rifugio Val Fraele, een kleine berghut (veertien bikers en daarmee was het vol) aan een schitterend stuwmeer, op 1955 meter hoogte. Die hele middag hebben we als hoogtepunt ervaren, prachtige lange stukken met relatief weinig hoogteverschillen, mooie singletrails, af en toe enerverende paadjes langs bergbeken en –rivieren, en volkomen uitgestorven; in een woord geweldig. Aan het eind van de dag weer 45 kilometer op de teller, een kleine 1500 hoogtemeters, en pijn in de billen (om van Alberts obstipatie, die tot Nederland zou duren, nog maar te zwijgen; maar misschien dronk hij ook wel niet genoeg en at hij de verkeerde dingen, vonden Patrick en ik).

   Dag 4 (dinsdag 20 augustus 2002)

Ook dag vier begon op hoogte. De eerste twintig kilometer liepen van 1955 naar 1859 meter en waren een genot voor het oog en de benen. Daarna ging het weer vrij steil, maar wel berijdbaar naar boven, tot aan de Passo Val Viola op 2489 meter, die meteen de grens tussen Italië en, weer, Zwitserland vormt. Alleen het laatste stuk was door de grove Schotter eerst door mij, daarna door Patrick, daarna door Albert, niet meer te berijden, ondanks de aanmoedigingen van de enthousiaste Italianen (van beiderlei kunne) langs het pad. ‘Forza, forza!’ klinkt toch opgewekter dan een benepen Zwitsers ‘Grüzi’, als ik eerlijk ben. Het uitzicht op de pas was overweldigend, en dat hebben we dan ook uitgebreid genoten, maar het werd wel koud en we hadden ons bij een eerdere pauze ineens in de kop gezet dat we gingen proberen om de laatste trein terug vanuit onze eindbestemming Poschiavo naar Oostenrijk nog te halen. Die vertrok om vijf uur, en we hadden nog een heel stuk naar beneden te lopen, vertelde de reisbeschrijving. Dat bleek ook het geval, en pas na een dikke anderhalf uur lopen, overigens door een wonderschoon landschap, en na een snel spiegelei met brood bij een ongelooflijk trage waardin op de laatste berghut die we zouden aandoen, meenden we met nog maar veertien kilometer naar beneden naar Poschiavo nog makkelijk op tijd te kunnen komen, en hopelijk ook nog voor de regen binnen.

De afdaling was prachtig, een stuk Schotter was men speciaal voor ons zelfs aan het asfalteren, maar men was nog niet klaar... Ik knalde met mijn voorwiel in een uitholling overdwars, meende dat ik mijn vork tegen de aanslag hoorde tikken, maar het geluid bleek van een andere orde. Een paar honderd meter verder, op volle snelheid op nog steeds onverharde ondergrond, knalde mijn binnenband met een reuzenknal! Grote hilariteit, ik rijd namelijk wel vaker lek tijdens mijn wilde afdalingen, maar deze reis tot dan toe niet, geen nood, snel een nieuw binnenbandje erin, flaconnetje d’r op geschroefd, maar...pats, weer de binnenband eruit en opengescheurd, bij een druk van nog geen 3 bar! Wat bleek, bij de klap in de geul had de draad van mijn nieuwe Wildgripper het begeven, en de buitenband bleek niet meer in staat welke binnenband dan ook binnen te houden. Erger was echter dat ik, omdat ik immers een nieuwe band gemonteerd had en de ‘oude getrouwe’ IRC Mythos had thuis gelaten, kort voor vertrek had gemeend geen buitenband te hoeven meenemen, en mijn companen hadden in dit opzicht nu juist op mij gerekend. Mij restte niets anders dan naar beneden te lopen en via onze mobiele telefoons hielden we contact terwijl Albert en Patrick de resterende vier kilometer doorreden naar Poschiavo en op zoek gingen naar een andere buitenband.

Toen ze er een gevonden hadden had ik net een lift gevonden, en de laatste tweeënhalve kilometer heb ik in de auto gereden, tot grote hilariteit van mijn beide zich vrienden noemenden, die tot in lengte van dagen zullen beweren dat ik deze transalp niet heb voltooid. We waren uiteindelijk twintig minuten voor vertrek van de trein in Poschiavo, konden nog mee, en het begon meteen te regenen! Wij hadden vijf dagen droog weer gehad. De regen maakte de reis met de Rhätische Bahn door het Zwitserse hooggebergte (met onder meer de Bernina op dik 2500 meter) nauwelijks minder indrukwekkend, en was het begin van een thuisreis die via mijn schoonouders in Oostenrijk de afsluiting vormde van een hele mooie transalp-tocht. Voor een geoefende biker goed te doen, niet te zwaar, allesbehalve licht overigens, dat bestaat niet in het hooggebergte, en qua landschap nauwelijks te overtreffen. In cijfers: 5567 hoogtemeters, 186,66 km in totaal, 39,26 km (21 %) asfalt, 106,53 km (57 %) Schotter, 8,35 km (4,5 %) boswegen en weides, 24,42 km (13,1 %) single trail en 8,10 km (4,3 %) te voet (en afhankelijk van je fitheid nog wat meer).

   Info

Onderdak: het verdient aanbeveling vooraf te reserveren. Wie dit vaker wil doen kan ook lid worden van een bergsportvereniging. Het lidmaatschap van de Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging biedt aanzienlijke kortingen op de hutten (EUR 20 per nacht i.p.v. EUR 40) en men heeft bovendien een bergsportverzekering. In Zwitserland komt men voor een overnachting niet weg voor een bedrag onder de EUR 80-100 in een pension, en de helft daarvan in een hut.
Eten: men kan zo duur en zo goedkoop eten als men wil. Sommige hutten bieden een ruime keuze aan lunches en avondmaaltijden, maar wij hebben in supermarkten met net zo veel plezier broodjes, fruit en worst gekocht, en ook goed gegeten. Goede pasta krijgt men overal, net als liters ‘gespritzter Apfelsaft’, 60% appelsap met 40% mineraalwater, een geweldige dorstlesser.
Kosten: De totale kosten komen toch gauw neer op zo’n EUR 75-100 per dag, te vermeerderen met de kosten voor de heen- en de terugreis (inclusief zo’n EUR 100 voor de trein terug naar het beginpunt in Oostenrijk).
Route: Het bovengenoemde roadbook is zeer betrouwbaar, maar het is aan te raden van het hele gebied ook goede stafkaarten mee te nemen, die ter plaatse, of via bergsportwinkels te verkrijgen zijn.
Bepakking: Een rugzak van minimaal 30 liter is een must. Verschoning, eten, vervangend materiaal (remblokjes, spaken, sporttape, binnenbanden, een buitenband!), regenkleding, toiletartikelen, niet te vergeten een paar slippers en zo mogelijk een koplamp voor ’s avonds in de hut, en je rugzak zit nokvol. Ik zweer op dit soort tochten ook nog bij mijn camelbak van drie liter, maar drie liter is ook drie kilo, en die moet je in ieder geval in het begin van je rit optellen bij je ca. 7-10 kilo die je sowieso al meesleept. Ik heb de camelbak wanneer ik wist dat er verversingsposten waren dan ook vaak maar voor een deel gevuld, want de last van de rugzak tijdens een dergelijke tocht is niet te onderschatten.